Criteria voor een NP collectie

De NP omvat momenteel planten uit de groepen der:

  • Varens en varenachtigen
  • Zaadplanten

Verwacht wordt dat er op termijn collecties behorende tot één van de onderstaande groepen eveneens deel gaan uitmaken van de Nationale Plantencollectie:

  • Wieren
  • Korstmossen
  • Mossen

De NP kent twee secties:

  • de sectie 'soorten'
  • de sectie 'cultivars'

De hierna weergegeven criteria zijn voor beide secties nagenoeg identiek. De criteria en toelichting worden gegeven voor de sectie 'soorten'. Waar de criteria of toelichting voor de sectie 'cultivars' afwijken, wordt dit vermeld.

Tot de NP sectie 'soorten' worden plantencollecties toegelaten, die aan de volgende criteria voldoen:
  1. De plantencollecties voldoen aan de eerste drie punten van de doelen van de NP, en wel:
    • behouden en verbeteren van wetenschappelijk belangrijke levende plantencollecties;
    • het behoud van waardevolle biodiversiteit;
    • het voorkomen van onnodige duplicering van collecties door taakverdeling en specialisatie.
  2. De plantencollecties vallen bij voorkeur onder één of meer van de volgende noemers:
    • representatief overzicht van delen van het plantenrijk;
    • lopend of afgesloten wetenschappelijk onderzoek [onderzoekscollecties c.q. referentiecollecties], bij voorkeur taxonomisch bepaalde groepen, eventueel geografisch georiënteerde collecties;
    • bedreigde plantensoorten;
    • cultuurhistorisch belangrijke plantencollecties.
  3. Het voortbestaan van de plantencollectie is op langere termijn, eventueel juist door toelating, gegarandeerd. Voorlopig wordt onder langere termijn tenminste 10 jaren verstaan, na aanvaarding van de collectie in de NP.
  4. De plantencollecties zijn goed gedocumenteerd, d.w.z. geadministreerd, gecatalogiseerd en voor zover mogelijk gedetermineerd; er is binnen de tuin kennis, documentatie en literatuur over de specialisatie aanwezig.
    • administratie: de administratie moet de gegevens leveren zoals voorgeschreven door de SNP, op advies van de werkgroep NP. Waarschijnlijk zal dit het ITF2 [International Transfer Format, tweede versie] zijn. Dit ITF wordt gehanteerd door BGCI .
    • catalogisering: de accessies moeten in een lijst, naar familie en geslacht, ondergebracht zijn. De individuele planten moeten voorzien zijn van een accessienummer en zo mogelijk hun volledige wetenschappelijke naam. [Met 'zo mogelijk' wordt bedoeld dat bijvoorbeeld door het ontbreken van bloemen determinatie van sommige planten nog niet mogelijk is geweest]
    • determinatie: onder determinatie wordt verstaan het op naam brengen van de plant aan de hand van taxonomische literatuur of [externe] experts. Er wordt vastgelegd wie de determinatie heeft uitgevoerd, en met welke bronnen.
    • kennis en literatuur: de aanwezigheid van een méér dan gemiddelde kennis en uitgebreide literatuur m.b.t. de specialisatie is een essentieel onderdeel van de kwaliteit van de specialisatie.
    • documentatie: de identiteit van de accessies wordt vastgelegd door middel van herbarium-materiaal en/of afbeelding [[digitale] foto's, tekeningen].
  5. De planten zijn zoveel mogelijk van bekende wilde herkomst. Van iedere plant moet in principe de herkomst bekend zijn. De planten moeten ook zoveel mogelijk van wilde herkomst zijn. In geval van bekende wilde herkomst moeten gegevens over de vindplaats geregisteerd zijn. Dit laatste is niet van toepassing op cultivarcollecties, cultuurhistorische collecties en in beslag genomen planten. De herkomstgegevens moeten wél beschikbaar zijn.
  6. De op taxonomische basis samengstelde en in de NP opgenomen plantencollecties hebben een omvang die een goede afspiegeling vormt van het taxon waartoe deze behoren, waarbij overigens onderdelen van die collectie op verschillende plaatsen onder beheer kunnen zijn; ze omvatten in principe tenminste enkele tientallen accessies. Met een goede afspiegeling wordt bedoeld: een goede vertegenwoordiging van de soortendiversiteit, dan wel genetische diversiteit. In het eerste geval spreken we van een breedtespecialisatie in het tweede geval van een dieptespecialisatie:
    • breedtespecialisatie: een representatief overzicht van de te kweken soorten van dat taxon [familie/geslacht]
    • dieptespecialisatie: zoveel mogelijk herkomsten [planten/zaden van een bepaalde standplaats] uit het gehele verbreidingsgebied, waardoor een zo compleet mogelijk overzicht gegeven wordt van de genetische variatie binnen elke soort van dat taxon [veelal een geslacht].
    Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat elke specialisatie anders is en dat er dan ook geen percentages te noemen zijn. De collectiecommissie beoordeelt per specialisatie of de invulling van de breedte- c.q. diepte-specialisatie voldoende is. Cultivarcollecties worden als regel gerekend tot de breedtespecialisaties. De minimale grootte die een collectie behoort te hebben varieert sterk. Voor grote families als Orchidaceae [Orchideeënfamilie], Euphorbiaceae [Wolfsmelkfamilie] en Asteraceae [Composietenfamilie] zijn enkele tientallen accessies onvoldoende voor toelating. Kleine plantencollecties kunnen worden opgenomen, mits van bijzondere betekenis en mits ook tenminste één andere, niet kleine, plantencollectie van dezelfde tuin al tot de NP is toegelaten. Als voorbeelden van kleine collecties van bijzondere betekenis: Welwitschia en Ginkgo.
  7. De plantencollecties zijn in principe beschikbaar voor onderwijs, onderzoek, cultuurbehoud, natuurbewustwording en behoud van biodiversiteit [genenbankfunctie]. N.b.: voor collecties onder de sectie 'cultivars' moet hieraan toegevoegd worden 'productvernieuwing'.
  8. De collecties dienen, binnen de randvoorwaarden van het Biodiversiteitsverdrag, al dan niet tegen een vergoeding, in principe toegankelijk zijn. Een bereidheid tot het uitwisselen van materiaal wordt verondersteld.

       

       

       

       


Gerealiseerd door Wesley Roozing & Renske Ek © 2010-2011